Geschiedenis

Printer-friendly versionSend to friend

De eerste getuigen van menselijke aanwezigheid op het territorium van Sagalassos zijn nederzettingen van jagers en vuursteenbewerkers die teruggaan tot het epipaleolithicum (ca. 12000 jaar geleden). Hier leefden jager-verzamelaars die naar alle waarschijnlijkheid landinwaarts migreerden vanuit de kustgebieden en daarbij de Kestros rivier (Aksu) volgden in hun zoektocht naar wild en vuursteen. In het begin van het holoceen, op het einde van het negende millennium v. Chr. zorgde de verbetering van de klimatologische omstandigheden voor een toenemende bebossing van de streek. Omdat de bewoners zowel landbouwers als jager-verzamelaars waren, zorgde de aanwezigheid van bossen voor de ideale omstandigheden voor landbouw, veeteelt en jacht. Uiteindelijk resulteerde dit in het ontstaan van permanente nederzettingen langs de oevers van het meer van Burdur. Toch schakelden niet alle nederzettingen gelijktijdig over op landbouw en domesticatie van vee zodat groepen jager-verzamelaars gelijktijdig bestonden met gemeenschappen die aan landbouw deden, herders waren of deze beide activiteiten combineerden.

In het chalcolithicum en de vroege bronstijd doken er in de streek landbouwnederzettingen op van het höyük-type wat een aanwijzing is voor de ontwikkeling van lokale vorstendommen met versterkte steden. Deze nederzettingen verdwenen echter tegen het eind van deze periode en doken niet meer op voor het einde van de late bronstijd. Rond de veertiende eeuw v. Chr. kwamen de Luwiërs naar deze streek en stichtten de Arzawa federatie. Het territorium van Sagalassos kwam onder de invloedssfeer van de Luwiërs maar lag aan de veelvuldig betwiste grens met het koninkrijk van de Hitttieten. Het is daarom niet uitgesloten dat de oude naam van de stad teruggaat tot de naam van de bergvesting Salawassa die vermeld wordt in Hittitische teksten. In elk geval weerspiegelen de hooggelegen en goed versterkte vestingen het onstabiele karakter van die periode.

Vanaf de vroege ijzertijd doken er geleidelijk aan stedelijke nederzettingen op in de streek. De recent ontdekte stedelijke nederzetting op de nabijgelegen heuvel Tepe Düzen dateert uit deze periode en is mogelijk de voorloper van Sagalassos. De stad maakte eerst deel uit van het Phrygische koninkrijk (negende tot begin zevende eeuw v. Chr.) en werd daarna ingelijfd bij het koninkrijk van de Lydiërs. (begin zevende eeuw tot 546 v. Chr.) en uiteindelijk bij het Perzische rijk (546 tot 334 v. Chr.). Onder Perzisch bestuur, toen de Griekse invloed zich vanaf de kuststeden in Pamphylia landinwaarts verspreidde, werd Sagalassos een stad van het polis-type.

De stad controleerde en exploiteerde een ruim territorium en was beschermd door een keten van zichtbare versterkingen op de berghellingen die in onderling contact stonden. Het lijkt erop dat Sagalassos een belangrijk regionaal centrum was, even invloedrijk als Selge en Termessos toen Alexander de Grote in 334 v. Chr. in de streek arriveerde. In zijn verslag over Alexanders campagne tegen de Perzische koning omschrijft de antieke historicus Arrianos (ca.87 tot 145 v. Chr.) Sagalassos als een “niet kleine stad”. Arrianos, die zich baseerde op bronnen uit de tweede eeuw v. Chr., beschrijft hoe Selge een overeenkomst sloot met Alexander tegen Termessos en Sagalassos. Alexander belegerde eerst Termessos maar toen deze stad oninneembaar bleek te zijn, ging de Macedonische koning verder naar Sagalassos. In het gevecht dat daarop volgde, namen de Sagalassiërs, die de hulp kregen van boogschutters uit Termessos, stelling in op een afgevlakte kegelvormige berg vóór de stad. Hoewel ze erin slaagden de eerste Macedonische aanval af te slaan, werden de Sagalassiërs uiteindelijk verslagen en hun stad ingenomen. Uiteindelijk was Sagalassos trots op de rol die ze speelde bij Alexanders verovering van de streek en beeldde ze het gevecht af op haar munten.

Na de dood van Alexander de Grote kwam Pisidia in handen van zijn opvolgers. Zo werd de streek opgenomen in het koninkrijk van Antigonos Monopthalmos (321 tot 301 v. Chr.), vervolgens vermoedelijk ook in dat van Lysimachos van Thracië (301 tot 281 v. Chr.) en later in het koninkrijk van de Seleuciden van Syrië (281 tot 189 v. Chr.) en dat van de Attaliden van Pergamon (189 tot 133 v. Chr.). Zoals de andere steden van Pisidia werd ook Sagalassos in deze periode snel gehelleniseerd hetgeen blijkt uit het gebruik van het Grieks als officiële taal, de ontwikkeling van de stadsinstellingen en de materiële cultuur. Dit helleniseringsproces werd niet zozeer opgelegd door de opvolgers van Alexander de Grote maar was het resultaat van de interactie tussen de Pisidische steden.

Nadat de Attaliden hun koninkrijk hadden nagelaten aan Rome, werd het grootste deel van Pisidia, en ook Sagalassos, in 129 v. Chr. onderdeel van de Romeinse provincie Asia. In de beginperiode van deze Romeinse overheersing leek Pisidia een korte periode van welvaart te kennen en heel wat steden in deze streek bouwden hoge stadsmuren en gebouwen met een politieke functie. Een voorbeeld daarvan in Sagalassos is de goed bewaard gebleven stadssenaat (bouleuterion). In het begin van de eerste eeuw v. Chr. kwam er een einde aan deze periode van relatieve welvaart door verschillende factoren. Zo waren er de oorlogen tegen koning Mithridates van Pontus (89 tot 63 v. Chr.) en bijna gelijktijdig daarmee de ernstige verstoring van de handel over zee door piraten. Ook het Romeinse systeem waarbij het innen van de belastingen overgelaten werd aan publicani, die de provincies werkelijk uitzogen, zorgde mee voor een achteruitgang van de welvaart. In deze periode verenigden de mensen die buiten de stad woonden zich in kleine dorpen die hooggelegen en goed verdedigbaar waren.

De stabiliteit keerde terug tijdens de heerschappij van de vazal-koning Amyntas van Galatië (39 tot 25 v. Chr.). Sagalassos, dat sinds het midden van de tweede eeuw v. Chr. een productiecentrum van aardewerk was geworden, begon tijdens zijn regering de regionale markt met haar koopwaar te veroveren. Een direct gevolg daarvan was dat de stad zich uitbreidde tot buiten haar hellenistische muren. Deze stadsuitbreiding zette zich voort in de vroege keizertijd en vooral in oostelijke richting. De laathellenistische dorische fontein en de nieuwe residentiële wijken op de oostelijke hellingen getuigen daarvan. Ook de dorische tempel ten noordwesten van de bovenste agora gaat terug tot diezelfde periode. In 25 v. Chr. werd Sagalassos andermaal deel van het Romeinse Rijk en de stad werd geïncorporeerd in achtereenvolgens de provincies Asia, Galatia, Lycia en Pamphylia en tijdens de regering van Diocletianus in de provincie Pisidia. De pax romana, de stichting van verscheidene Romeinse kolonies in het zuiden van Galatia en de aanleg van een goed wegennet tijdens de regering van Augustus (de “via Sebaste” die Antiochia in Pisidia verbond met de havens in Pamphylia liep 63 km over het territorium van Sagalassos) gaven Sagalassos ongekende mogelijkheden.

Het erg vruchtbare territorium van Sagalassos zorgde ervoor dat er meer graan en olijven werden geteeld dan nodig waren voor de lokale behoefte en de aanwezigheid van kleibedden van een uitstekende kwaliteit maakte de productie van hoogkwalitatieve tafelwaar (“Sagalassos Red Slip Ware”) op industriële schaal mogelijk. Hierdoor kon de stad deze lokale producten exporteren. De plaatselijke landadel besefte al heel snel welke economische mogelijkheden deze nieuwe politieke situatie bood en zij stond dan ook vrij snel open voor de Romeinse ondernemingszin. De lokale pottenbakkersateliers, die klei gebruikten uit de onmiddellijke omgeving van de stad, werden omgevormd tot grootschalige commerciële ondernemingen die gedurende minstens zes eeuwen op internationale schaal Sagalassos Red Slip Ware exporteerden. Gewassen zoals graan en olijven werden op het grondgebied van de stad op grote schaal verbouwd en een netwerk van landbouwbedrijven, villa’s, gehuchten en dorpen voorzag in de primaire behoeften van de stad. Deze gunstige omstandigheden bleven gedurende eeuwen behouden en zo werd Sagalassos tijdens de Romeinse keizertijd de belangrijkste stad (“metropolis”) van Pisidia.

In de loop van de eerste drie eeuwen van de Romeinse keizertijd breidde de stad zich verder uit (het stadsareaal werd meer dan dubbel zo groot) en het stadscentrum werd verfraaid met monumentale openbare gebouwen. In de vroege keizertijd werd de oriëntatie van de bovenagora gewijzigd, het plaveisel werd vernieuwd en er verrezen monumenten ter ere van de lokale adel (bv. het noordwestelijk Heroon en de vier erezuilen op de bovenagora) en van de keizerlijke familie (bv. triomfbogen en poortgebouwen). De lokale adel was trouwens verantwoordelijk voor het merendeel van deze verfraaiingen. Tijdens de regering van keizer Claudius (41 tot 54 n. Chr.) hadden leden van sommige adellijke families het Romeinse burgerrecht verworven en zij financierden de eremonumenten die hun banden met de keizerlijke familie in de verf moesten zetten. Slechts enkele tientallen jaren later werden de eerste plaatselijke burgers opgenomen in de Romeinse ridderstand (“ordo equester”). Het is mogelijk dat dit gebeurde nadat zij de keizercultus en de daaraan verbonden Klareïsche spelen in Sagalassos hadden geïntroduceerd.

Een periode van ongeziene bouwactiviteit en welvaart startte tijdens de regering van keizer Hadrianus (117 tot 138 n. Chr.) en ging verder tot het begin van de derde eeuw. In deze periode gebruikte de lokale elite de bouw van monumenten voor de stad en haar bewoners als een middel om zichzelf te affirmeren en te promoten op sociaal vlak. Door de rol van weldoener (“euergetès”) aan te nemen, kon zij zichzelf op gelijke hoogte plaatsen met de keizerlijke familie en de goden. Op die manier voorzag de lokale elite de stad van monumentale gebouwen waarvan de hele bevolking kon meegenieten. Zo zijn er ondermeer minstens vier monumentale nymphea (fonteinen), een bibliotheek en een macellum (voedselmarkt) terug te vinden. Aan het eind van de tweede eeuw n. Chr. had Sagalassos zijn eerste senatoren afgeleverd en waren enkele van de grootste monumenten voltooid: de Romeinse thermen, een theater en een tempelheiligdom voor de keizers Hadrianus en Antoninus Pius. Door dit laatste heiligdom kon de stad deelnemen aan de keizerscultus als koinon van Pisidia.

Na de dood van Alexander Severus in 235 n. Chr. kwam het Romeinse Rijk in een crisis terecht doordat de snelle opeenvolging van soldatenkeizers politieke instabiliteit veroorzaakte. Het zuidwesten van Anatolia en in het speciaal Pisidia en Pamphylia bleven echter bloeien omdat ze strategisch belangrijk waren als vooruitgeschoven posten voor militaire interventies in het oostelijke deel van het mediterrane bekken. Ten gevolge daarvan werd een groot deel van de Romeinse infanterie en vloot gestationeerd in Side in de loop van de derde eeuw n. Chr. Daardoor kregen de steden in het zuiden van Pisidia enorme economische kansen: zij konden immers veel geld verdienen aan de verkoop van graan en andere voorraden aan de Romeinse troepen. Dit resulteerde in een grote bouwactiviteit in die steden die de hele verdere eeuw duurde. Sagalassos profiteerde hier echter minder van en in plaats van bouwactiviteit kwamen er vooral “agones” , spelen die genoemd werden naar hun inrichters. In de vierde eeuw n. Chr. hernam de bouwactiviteit, alhoewel het nu voornamelijk om uitgebreide herstellingen en verfraaiingen ging, zoals de Neonbibliotheek en de Romeinse Thermen.

Vanaf de late vierde en het begin van de vijfde eeuw n. Chr. komen de eerste tekenen van verval in Sagalassos. Geleidelijk aan wordt het karakter van de stad hierdoor aangetast. Problematisch hierbij was waarschijnlijk de Christianisering van grote delen van de bevolking en het opduiken van een gesloten en machtige elite. Even problematisch was de groeiende instabiliteit van de regio.

Sagalassos werd een bisdom in de loop van de vierde eeuw n. Chr. en was vertegenwoordigd op het eerste concilie van Constantinopel in 381 n. Chr. Steeds meer volgelingen van deze nieuwe godsdienst eisten een meer prominente plaats voor zich op in de maatschappij. Blijkbaar hebben toenemende spanningen tussen christenen en heidenen rond 400 n. Chr. geleid tot de vernietiging van de pas gerestaureerde Neonbibliotheek. Het gymnasium, ten oosten van het theater, was door de gemeentelijke autoriteiten korte tijd later al geheel ontmanteld als maatregel tegen de Griekse heidense opvoeding of “paideia”. De toenemende macht van het christendom blijkt verder uit de constructie in de vijfde eeuw n. Chr. van de eerste kerk volgens het Basilicamodel, in een open ruimte vlakbij het vroegere bouleuterion (raadszaal). Behalve de toenemende macht van de kerk kende de late oudheid ook het ontstaan van een kleine maar zeer machtige lokale elite, de “proteuontes”. Hun band met de stad wordt echter minder sterk, omdat ze zich meer bekommerden om het tonen van hun persoonlijke rijkdom, door middel van hun landgoederen en paleizen verspreid doorheen de provincie, dan om de infrastructuur en het uitzicht van de stad. De Domestic Area die momenteel wordt opgegraven in het oostelijk deel van Sagalassos, was één van die paleizen. In de zesde eeuw n. Chr. kreeg een oligarchie van de clerus (aangevoerd door de bisschop) en de aristocratie (“proteuontes”) de echte macht in het laatantieke Sagalassos en verving aldus de verkozen gemeentelijke magistraten en de stadssenaat.

Rond 400 n. Chr. verschenen tekenen van externe onrust, toen huurlingen van de Ostrogothen en de raids van de Isaurische stammen het noodzakelijk maakten een nieuwe stadsmuur te bouwen. Deze muur volgde grotendeels de contouren van de inmiddels ontmantelde hellenistische stadsmuur en werd door de stedelijke autoriteiten opgetrokken met de nodige trots. Bovendien bleven de landerijen rond de stad erg dicht bevolkt in de daaropvolgende eeuw, alhoewel rond het midden van de vijfde eeuw n. Chr. het aantal kleinere dorpen begon af te nemen ten voordele van grotere en beter verdedigbare nederzettingen vlakbij waterpartijen op grotere hoogte. Tegelijkertijd met deze evolutie werd de landbouw rond de stad meer gediversifieerd, waarschijnlijk om aan de onmiddellijke noden van de stadsbevolking te beantwoorden.

Rond 500 n. Chr. braken slechtere tijden aan voor Sagalassos toen de stad getroffen werd door een eerste hevige aardbeving. Overal in de stad was er erge schade maar de bewoners waren blijkbaar talrijk en welvarend genoeg om de meeste schade op monumentale wijze te herstellen. Na deze restauratiefase kwam er echter een periode van toenemend “encroachment” (private ingebruikname van publieke ruimten) en dit resulteerde in kleinere straten en in portico’s die werden onderverdeeld in kleinere ruimtes. Dit encroachment was een wijdverspreid fenomeen in de meeste laatantieke steden en werd veroorzaakt door veranderende administratieve en economische omstandigheden. Het wijst niet zozeer op het verval van de stad maar eerder op het vermogen van de stadsbewoners om zich aan te passen aan de nieuwe sociale en politieke omstandigheden van de late oudheid. Na het midden van de zesde eeuw n. Chr. begon het economische systeem uit elkaar te vallen ten gevolge van ondermeer de pestepidemie van 541/542 n. Chr. die bijna 50 procent van de bevolking van Asia Minor wegmaaide. Door het feit dat er minder arbeidskrachten waren kwam er hongersnood, nog verergerd door tegenvallende oogsten in de daaropvolgende jaren. Grote delen van de stad werden verlaten, grote huizen werden onderverdeeld in kleinere wooneenheden. Meer en meer werd de levensstijl minder luxueus en de stad ruraler. Het woonpatroon in het territorium rond Sagalassos veranderde ook drastisch en de grotere en goed verdedigbare dorpen werden vervangen door kleinere gehuchten en nomadenkampen. De algemene economische malaise en voortdurende onlusten versterkten dit fenomeen nog. Toen een aardbeving rond 590 n. Chr. de stad vrijwel volledig verwoestte, was deze al grotendeels verlaten.

Na deze gebeurtenissen lijkt er een hiaat te zijn geweest in de bewoning van de stad, alhoewel er nog enige tijd begrafenissen waren in het aardbevingspuin naast de vroegere tempel van Apollo Klarios, die toen al omgebouwd was tot christelijke kerk. De vroegere stad was echter grotendeels verlaten en het resterende deel van de lokale bevolking migreerde naar de vallei. Recente surveys tonen aan dat de regio niet helemaal werd verlaten maar dat de levensstijl meer pastoraal werd ( hetgeen ook weergegeven wordt in het pollenpatroon) en dat het klassieke stadsleven vervangen werd door het leven als in een dorp. In de tiende en elfde eeuw n. Chr. verschenen er nieuwe nederzettingen binnen de grenzen van Sagalassos. Een van deze nederzettingen, op het promontorium van de tempel van Hadrianus en Antoninus Pius, was versterkt en van het kastrontype, terwijl de andere geplaatst waren rond (gerestaureerde) kerken, zoals die van Apollo Klarios en op de Alexanderheuvel. De occupatie van deze gehuchten werd in de twaalfde eeuw gevolgd door een Byzantijnse versterking op de Alexanderheuvel, die uiteindelijk door de Selçuken in de volgende eeuw werd vernield. Op dat moment echter hadden de Selçuken al een openbaar bad (hamam) gebouwd en een karavanserai in het nabijgelegen Aglasun, het stadje waarvan de naam is afgeleid van Sagalassos.