Nieuws uit Sagalassos, 2 juli 2015

Printer-friendly versionSend to friend

Beste vrienden van Sagalassos,

De opgravingen draaien op volle toeren. Ondanks het duidelijke opzet ervan, komen er andere resultaten naar boven. Waar we bij het Gymnasium bijvoorbeeld bij de start van de opgravingen heel wat blokken van de Dorische portiek zagen liggen, en dit als het ware een ‘gemakkelijke’ opgraving zou worden, blijkt die portiek bovenop een ander gebouw te zijn gezet. Verrassing, want nu komen er onmiddellijk een paar meter in de diepte bij om op te graven. We geven dus graag de opgravingen nog wat tijd en brengen jullie ondertussen een thema uit de vondstverwerking van dit jaar.

Deze campagne zetten we een grondige archeologische analyse van de begravingspraktijken in Sagalassos op touw, en dit in functie van een nieuw FWO-Onderzoeksproject waarop Sam Cleymans vol moed aan zijn doctoraat is begonnen. Tot nog toe zijn er over heel veel jaren in totaal 162 skeletten opgegraven die zich in 110 verschillende graven bevonden. Het doel van dit onderzoek bestaat er in de Romeinse en de Byzantijnse populaties met elkaar te vergelijken op het gebied van gezondheid, welzijn en levenskwaliteit. Om dit te bereiken werken verschillende disciplines samen: fysische antropologie, genetica, isotopenstudies voor dieetreconstructie en archeologie; naar de aloude interdisciplinaire traditie gelanceerd door Marc Waelkens. Als archeologen willen we de begravingen zo goed mogelijk dateren, en de grafarchitectuur en grafgiften bestuderen om de verschillende tradities beter te begrijpen.

Het grafveld dat, naast de Oostelijke Necropool, de meeste skeletten (75 in 58 graven) heeft opgeleverd, bevindt zich rondom de kerk die in de voormalige Tempel van Apollo Klarios werd gebouwd, ten westen van de Onderste Agora. Dit grafveld staat centraal in deze nieuwsbrief. Vermits in deze graven amper grafgiften werden meegegeven met de overledenen – met uitzondering van enkele glazen armbanden en bronzen kruisjes – is het zeer moeilijk deze graven direct te dateren. In de beginjaren van deze opgravingen dachten we dat de skeletten slachtoffers waren van de aardbeving die Sagalassos gedeeltelijk verwoestte in de 7de eeuw n.Chr. Dankzij radiokoolstof-dateringen, uitgevoerd op zes individuen, weten we ondertussen dat de skeletten dateren tussen de 10de en de 13de eeuw n.Chr. Deze groep leefde en stierf in wat we nu de Midden-Byzantijnse periode noemen.

Omdat radio-koolstof dateringen nog steeds relatief duur zijn, en we dus niet alle skeletten zo maar kunnen laten dateren, en er zeer weinig bijgiften werden meegegeven, dienen we voor de datering van het gros van de graven archeologisch inventief te zijn. Het is immers van belang te kunnen bepalen of deze vrij uitgebreide zone continu in gebruik is geweest in zijn geheel, dan wel dat men door de tijd opschoof en zo beetje bij beetje de hele zone vulde. Het eerste scenario houdt een populatie in van een zekere omvang, het tweede beantwoordt eerder aan een kleine groep inwoners. Met dit voor ogen, inventariseren en dateren we alle scherven van keramiek van de lagen waarin de graven werden aangelegd, alsook die van de vullingen die in de graven zijn terecht gekomen, na de verwering van het graf en inhoud. We bepalen daarbij een normaal-datering die weergeeft wanneer een laag gevormd werd, en dus wanneer ten vroegste de graven kunnen zijn aangelegd. We leggen ook de zogeheten terminus post quem vast. Dit mooie Latijnse begrip duidt op de datum van de meest recente scherf, en betekent dus dat het graf zeker na die datum werd aangelegd. Deze studie levert ondertussen een breed scala aan keramiekdateringen op, waaruit we voorlopig afleiden eerder met een populatie van een zekere omvang te maken te hebben in de Midden-Byzantijnse periode.

Naast de datering van de graven proberen we ook inzicht te krijgen in de vorming van het landschap op deze site. In bepaalde sectoren vinden we eerst materiaal terug dat waarschijnlijk te maken heeft met het opruimen van het puin van de 7de eeuwse aardbeving. Ook na deze catastrofe bleven ze in Sagalassos niet bij de pakken zitten. In dit pakket werden geen graven gevonden. Dat gebeurt pas in de lagen die daarop werden aangelegd. Die lagen zijn niet het gevolg van erosie, maar vertegenwoordigen een bewuste ophoging van het landschap door de aanvoer van aarde en materiaal. Met deze operatie verdween een groot deel van de plaveien van de Onderste Agora definitief uit het zicht, net als de trap die van de Collonadestraat naar de Agora loopt. Het lijkt er dus op dat men toen bewust het landschap rondom de voormalige Tempel van Apollo Klarios heeft aangepast om dit grafveld aan te leggen. Een volgende stap in het onderzoek zal erin bestaan dit landschap in detail te reconstrueren op basis van 3D-fotografie.

Wanneer dit grafveld in het ruimere landschap wordt bekeken, blijkt dat het kerkgebouw waarrond het aangelegd is, zich op een positie bevindt die zeker vanuit het zuiden van de stad duidelijk herkenbaar is. Het enige andere gebedshuis dat, voor zover we nu weten, in die tijd nog in gebruik is, is de kerk op de Alexander-heuvel. Deze twee kerken liggen in elkaars zichtsveld en dus was ook het grafveld zichtbaar vanop de Alexander-heuvel. In de periode van de aanleg van het grafveld lag het administratieve centrum van Sagalassos op de plek van de vroegere Antoninus Pius Tempel, die ongeveer tussen de twee kerken gepositioneerd is. Ook vanuit dit administratieve centrum was de kerk op de site van de vroegere Apollo Klarios Tempel goed zichtbaar. Het grafveld bleef echter verscholen in het landschap. Het lijkt er dus op dat de Midden-Byzantijnse inwoners van Sagalassos het landschap niet enkel gebruikt hebben, maar ook bewust hebben aangepast aan de noden en esthetische en religieuze normen van hun periode.

En nu weer dieper gaan graven,
Jeroen Poblome