Voor een archeoloog moet het soms niet veel zijn

Printer-friendly versionSend to friend

Voor een archeoloog moet het soms niet veel zijn. In dit geval hebben we het over een ronde tot ovalen plek met fijne grijze as van een goeie centimeter dik en een diameter van ongeveer 1,4 meter op oranje gekleurde grond. Die vonden we afgelopen week tijdens onze nieuwe opgravingen in de Oostelijke Voorstad van Sagalassos. Ik verklap graag dat achter deze omschrijving de restanten van een vuur schuilgaan. De as verklaart zichzelf en de kleur van de grond is veroorzaakt door de hitte. Op zich hebben we nog niet zo veel vuurplaatsen gevonden in Sagalassos, dus dit heeft wel iets, maar zo speciaal is een dergelijke archeologische structuur nu ook weer niet. Waarom wil ik jullie daar dan graag meer over vertellen?

Wel, we vonden dit vuur in een ruimte gebouwd tegen het gebouw dat geboekstaafd staat onder het acronym PQ2. Bij eerdere opgravingen hebben we deze site geïdentificeerd als de restanten van de lokalen van een antieke vereniging of misschien zelfs gilde. Gebouwd rond het midden van de eerste eeuw na Chr. had dit toen iets kleinere gebouw wellicht een andere, religieuze functie, maar mogelijk nog tijdens die eeuw werd het uitgebreid en ingericht om bijeenkomsten van een vereniging te huisvesten. Jammer genoeg hebben we die associatie nog niet kunnen identificeren, en zonder een duidelijke inscriptie zal dat wellicht nooit lukken. Misschien konden deze lokalen zelfs gehuurd worden door verschillende verenigingen en gildes, zoals bij ons een feest- of parochiezaal. In de Romeinse wereld zijn dergelijke gebouwen gekend uit antieke teksten, zijn er een reeks opgegraven in het Italische moederland en een paar in de westerse provincies van het rijk, maar voor de oostelijke gebieden blijft dit een zeer speciale vondst. In het oosten zijn dan weer veel meer opschriften bewaard die duidelijk aantonen hoe verenigingen volledig verweven waren met het dagelijkse leven in de typische Romeinse steden, zoals Sagalassos er één was.

In voorgaande campagnes hebben we in de lokalen van het verenigingsgebouw heel wat afval gevonden. Het was precies alsof ze op een gegeven moment in de derde eeuw een groot afsluitfeest hebben gehouden, en alle tafelwaar en etensresten ter plekke hebben achtergelaten. Vorige zomer en in de lente hebben we die vondsten in detail bestudeerd. We hadden gehoopt een soort van servies te kunnen reconstrueren om zo het aantal feestgangers gemakkelijk te kunnen tellen. Dat laten de opgegraven resten ons niet toe. Het gaat in ieder geval om vele tientallen feestgangers in drie kamers, maar die dronken uit verschillende bekers en aten uit verscheidene schalen en kommen. Alles werd in persoonlijke porties opgediend; er werden geen grote schalen of borden in het midden van de tafels geplaatst waarvan iedereen zijn of haar homp schepte. Er moet dus bediening geweest zijn tussen de keuken en de lokalen met feestgangers, zoals dat bij onze trouwfeesten gebeurlijk is bijvoorbeeld.

Uit het onderzoek van de dierenbeenderen weten we dat er een verschil te merken is tussen de restanten gevonden in een afvalhoop buiten het gebouw en de etensresten aangetroffen in de lokalen zelf. Het afval buiten werd gekarakteriseerd door rund; in de kamers zijn vooral botten van varken aanwezig en is rund veel minder belangrijk. In zowel de kamers en de afvalhoop is schaap/geit van ondergeschikt belang. Tussen de lokalen onderling is er, qua samenstelling, weinig tot geen verschil te melden. De verdeling van de skeletresten is ook anders: er werden bijvoorbeeld meer pootelementen van rund en ribben van rund en varken opgegraven in de lokalen en meer vleesdragende runderbotten buiten het gebouw. Het is nog niet geheel duidelijk wat dit in detail te betekenen heeft maar gezien de afvalhoop buiten het gebouw van vroeger dateert dan de resten in de lokalen is het wel interessant vast te stellen dat er variatie zat in het menu. Bij ons zijn het ook niet altijd mosselfeesten die de kas van onze verenigingen spijzen; een barbecue of worstenbak wordt ook gesmaakt nietwaar.

De botanische resten worden later deze campagne bestudeerd, zodat we over het volledige menu zullen beschikken van onze feestzaal.

En wat nu met die vuurplaats? Wel, uit de studie van de dierenbeenderen was al het vermoeden gerezen dat dit niet om de Romeinse haute cuisine ging, maar eerder het verwerken van dit vlees in soepen, een soort van hutsepot of gemengd bij gekookte granen. In elk geval een soort van grootkeuken dus. Ons vuur is wat letterlijk overblijft van die grootkeuken. Geen grootse, ingewikkelde installaties zoals in de refters van onze scholen, maar wel een grote bronzen ketel bovenop een gezellige vlam. De ketel is al lang verdwenen, en wat we hebben is enkel as en verbrande grond. Maar deze eenvoudige vondst zal ons zeker verder op weg helpen heel goed het sociale leven van de gewone man en vrouw in Sagalassos verder in kaart te brengen.